Niemand wordt docent omdat hij zo graag iets leert over onderwijskunde…..

Op 21 januari 2017 sprak in bij ResearchEd Amsterdam. Ik had geen slides, wel een verhaal. Dat verhaal post ik ook hier. Reacties vind ik leuk! 🙂
Ik had vooraf deze beschrijving gegeven van wat ik wilde:
Beschrijving van de sessie:
Niemand wordt docent omdat hij zo graag iets leert over onderwijskunde…..zei ooit een van mijn studenten aan de lerarenopleiding tegen me. En ik zelf ben in 1998 toegepaste onderwijskunde gaan studeren omdat ik alles met onderwijs wilde doen en er van alles over wilde weten, behalve voor de klas staan. En nu werk ik op een lerarenopleiding. En merk wekelijks hoe mijn studenten soms mij niet begrijpen en ik hen niet altijd. Zie ik ook hoe de werkplekbegeleiders feedback geven die aansluit bij de behandelde theorie, maar niet dezelfde woorden gebruiken waardoor het lijkt alsof er een kloof is tussen theorie en praktijk. En soms, soms is die kloof er nu eenmaal echt, en heb ik helemaal geen zin om die te overbruggen.
In deze lezing wil ik vanuit mijn eigen ervaring de plek van onderzoek binnen de lerarenopleiding, de voor- en nadelen, en de problematiek ermee op een rij zetten, en hopelijk een voorzet geven voor hoe het anders kan (zonder de lerarenopleiding af te schaffen of de praktijk te vrijwaren van theorie….)

En zo pakte het uit. Qua verhaal dan. Ik maak binnenkort een nieuwe post over de sessie en wat ik verder meeneem van ResearchEd.

Inhoud sessie
In de beschrijving van deze workshop staat dat ik vanuit mijn eigen ervaring de plek van onderzoek binnen de lerarenopleiding, de voor- en nadelen, en de problematiek ermee op een rij ga zetten, en hopelijk een voorzet ga geven voor hoe het anders kan (zonder de lerarenopleiding af te schaffen of de praktijk te vrijwaren van theorie….). Ik hoop dat natuurlijk niet alleen te doen, maar dat vooral ook samen met jullie te doen. Jullie zien dat ik geen slides heb. Ik wil jullie graag mijn verhaal vertellen, jullie vragen stellen, jullie vragen aan mij laten stellen en samen het gesprek aan gaan.

Ik ben Amber Walraven. Op 15 januari 2015 begon ik als universitair docent aan de Radboud Docenten Academie. Daarvoor was ik aio aan de Open Universiteit, vervolgens universitair docent bij de Onderwijskunde aan de Universiteit Twente, en daarna senior onderzoeker ondewijs aan het ITS te Nijmegen. Toen ik bij het ITS werkte, gaf ik al het verdiepingsthema ICT in onderwijs aan de docentenacademie.

Mijn perspectief op de lerarenopleiding is dus heel erg gekleurd. Ik ben nog niet zo lang opleider en ik ken alleen de universitaire lerarenopleiding en dan ook nog alleen die in Nijmegen. En toch, toch voel ik me op de een of andere manier verantwoordelijk voor alles wat er over de lerarenopleiding gezegd wordt. Ik trek het me zeer persoonlijk aan (en maakt u zich geen zorgen, ik heb daar inmiddels hulp voor gekregen ;-)).
Ik heb een aantal citaten verzameld die mij boos maken, verontwaardigd doen reageren of waarvan ik zeg ja, exact, dat is het! Ik wil even de stemming peilen in deze zaal. Ik lees zo een stelling voor, als u het eens bent met deze stelling , steek dan uw hand op. Ik ga daarna bij een paar mensen vragen
waarom ze het eens of oneens zijn met de stelling.

“De postdoctorale lerarenopleiding verdient de naam academisch niet”

“De lerarenopleiding was de grootste vernedering uit mijn leven”

“Tijdens de opleiding heb ik me er maar bij neergelegd en maar opgeschreven wat ze wilden horen”

“Tijdens de opleiding word je vooral gemotiveerd om NIET je eigen draai aan zaken te geven. Er is weinig ruimte voor eigen meningen en opvattingen over het onderwijs. En dat zorgt ervoor dat de diversiteit van docenten nogal te wensen overlaat.”

“Studenten worden te weinig uitgedaagd om gedurende de opleiding na te denken over het ontwikkelen van eigen lesmateriaal en lesdidactiek.”

“Het programma op een lerarenopleiding staat muurvast”

“Ik heb geleerd dat het onderwijs prachtig is. Dat we samen onderwijs mooi kunnen maken voor een mooie toekomst.”

“De opleiding en de uitdagingen van de praktijk staan los van elkaar en worden tijdens de opleiding te weinig behandeld en besproken”

Ok, nu we de sfeer een beetje geproefd hebben wil ik graag schetsen hoe ik ervaar hoe het gaat op de lerarenopleiding waar ik werk. Ik ga dan vooral in op, zoals beloofd, de rol van theorie en onderzoek op de lerarenopleiding. Een student zei tegen me niemand wordt docent omdat hij zo graag iets leert over onderwijskunde…..en ik ben van mening dat dat niet bevorderlijk is voor het beroep. Ik zou graag zien dat theorie en onderzoek wél belangrijk zijn voor docenten en docenten in opleiding omdat ik denk dat je er een betere docent van wordt. Kijk naar een dag als vandaag…. Tom Bennet zei het al heel mooi bij de start vandaag ‘Teaching is both a craft and a science’

Goed, kort samengevat zie ik 2 sporen van onderzoek/theorie op de lerarenopleiding.

1)
Onderzoek of onderzoeksresultaten die iets zeggen over leren, opbouw van onderwijs, effectieve manieren van instructie geven etc. Dat soort onderzoek is dus ook inhoud van ONS curriculum. Er is dan wel verschil tussen theorie met een kleine t en theorie van een grote T.
Voorbeelden hiervan: SDT, klassenmanagement (bijvoorbeeld Kounin), directe instructie, maar ook zaken als spacing effect, testing effect, onderzoek over het tienerbrein enz enz. En natuurlijk vakdidactische literatuur.

2)
Onderzoek doen als onderdeel van de lerarenopleiding.
Studenten voeren bij ons een praktijkgericht onderzoek uit. Ze maken een eigen ontwerp, en ze onderzoeken daar een aspect van. Het ontwerp is gebaseerd op literatuur, en hun onderzoek is ingebed in bestaand onderzoek. Ze leren ze systematisch naar hun eigen onderwijs te kijken, en leren ze bestaand onderzoek in een goed perspectief te plaatsen.

Waarom doen we dit?
Waarom leren we ze niet gewoon de trucjes? “Vertel me nou eens wat ik moet doen!” verzucht een student wel eens. “Als ik die theorie leuk had gevonden, dan was ik wel onderwijskunde gaan studeren”. Ik vind dat kwalijk. En ik vraag me af waar het vandaan komt. Als ik het hard zeg… als je niet bereid bent je te verdiepen in wat onderzoek zegt over leren, om naast je eigen idealen en opvattingen ook andere perspectieven te leggen, om open te staan voor systematisch reflectie en verbetering, om af te vragen waarom je doet wat je doet en of je het goed doet….. dan ben je een lesboer, en geen docent.

Wat vindt u van deze omschrijving van docenten en wat ze zouden moeten doen?
“Docenten benutten kennis van actuele pedagogische, (vak)didactische en leertheoretische inzichten om sensitief in te spelen op onderwijsbehoeften van leerlingen. Docenten ondersteunen leerlingen trefzeker in de ontwikkeling van hun sociale vaardigheden, hun identiteit en een constructief kritische (academische) houding. Docenten beschikken over voor het beroep relevante onderzoeksvaardigheden en gaan onzekerheid, onbekendheid en onvoorspelbaarheid niet uit de weg. Zij zoeken en onderzoeken dat wat nodig is om een steeds betere docent te worden en op een vindingrijke manier bij te dragen aan schoolontwikkeling. Voor deze docenten is een leven lang leren vanzelfsprekend.”

Dit komt uit het beroepsbeeld van de Radboud Docenten Academie. Hier willen we dat onze studenten naar toe werken, dit is niet wat ze na een jaar bij ons al moeten kunnen. Maar het is wel wat ons curriculum voedt, dit beroepsbeeld. Dus we planten er wel zaadjes voor, om hier te komen.

Ok, hoe pakken we dat dan aan?
Onze studenten worden natuurlijk overvallen door de trein niet lerarenopleiding heet. Een instituutsdag, stage lopen (vanaf de start ja), zelf tijd vinden om eea te lezen. Het is niet makkelijk. We hebben onze opleiding ingedeeld in twee semesters. Tijdens de eerste gaat het vooral over de docent zelf, en in de tweede helft staat het leren van de leerlingen meer centaal. Dat komt overeen met wat uit de theorie (kijk!) blijkt over hoe docenten zich ontwikkelen. Eerst gaat het vooral over, hoe moet ik staan, wat moet ik doen, daarna zien ze de eerste rijen in de klas, later de hele klas en nog weer later is er zicht op individuele leerlingen. Dus, daar houden we rekening mee. In de eerste helft gaat het over klassenmanagement, lesdoelen stellen, directe instructiemodel etc. We doen ons best om in de colleges de theorie behapbaar te maken en ze te helpen bij de slag naar hun eigen praktijk. Zo behandelde ik bijvoorbeeld het concept Academic Learning Time. Kort aangehaald wat houdt het in, wat vraagt het dan van een docent, wat kun je doen om het te bevorderen en daarna de vraag: wat hiervan doe jij al goed, en wat hiervan zou je kunnen verbeteren? En hoe wil je dat dan gaan doen?

Over de inzichten uit de cognitieve psychologie (spacing, testing, interleaving etc) krijgen de studenten een hoorcollege, en daarna ga ik daar op door, wat hieruit neem je mee uit je eigen praktijk, wat zou je willen toepassen? (Door schade en schande heb ik geleerd dat je niet moet vragen ‘wat vond je van het college?’ maar eerder ‘noem 3 dingen die je mee neemt uit dit college’?)

Voor het zelf onderzoek doen, of een goede onderzoekende houding ontwikkelen hebben we het vak Ontwerp en Onderzoek. Studenten maken een innovatief ontwerp, ingebed in vakliteratuur, eigen ervaringen, dingen die ze drijft, iets wat ze willen bereiken bij leerlingen of een didactiek die ze willen uitproberen. Ze koppelen daar dan een praktijkgericht onderzoek aan vast. Het onderzoek kan zich richten op een specifieke les binnen hun ontwerp, of op iets wat gedurende de reeks steeds terugkomt.
Naast gebruik maken van literatuur voor hun ontwerp (en dus nogmaals kennis te maken met de kennis die er al is) voeren ze ook zelf onderzoek uit. Niet om onderzoeker te worden, maar om de eigen praktijk systematisch te verbeteren.

Gehoorde geluiden.
Hand op als je dit zelf wel eens gezegd hebt, of iemand dit hebt horen zeggen over theorie/onderzoek en/of de lerarenopleiding

1) Hier heb ik niks aan in de praktijk
2) Op papier adequaat. Maar in de praktijk eigenlijk een overbodig vak het levende bewijs dat onderwijskunde (theorie) niet heel veel met onderwijs (praktijk) te maken heeft.
3) Vakdidactische literatuur geeft mijn lessen meer diepgang. Ik gebruik het bij het ontwerpen en ik ga niet alleen maar uit van inhoud van de les.
4) Ach ik vind het gewoon belangrijk dat het vakinhoudelijk allemaal klopt in de les, als dat zo is, ben je klaar.
5) In plaats van aan zoveel theorie, kunnen jullie beter meer aandacht besteden aan klassenmanagement.

Op de een of andere manier is er op sommige punten een gat tussen wat we willen, wat we doen, en/of hoe het overkomt.

Maar wat zou er dan anders kunnen/moeten?
Wat denk ik zelf?
1) Taal instituut en school. We vinden vaak dezelfde dingen wel belangrijk, maar gebruiken andere woorden. Samen dezelfde artikelen lezen? Veel meer elkaars feedback zien, veel meer samen feedback geven?
2) Geen wij/zij. Echt samen opleiden. De opleiding bestaat uit instituut en stage. Ze zouden elkaar moeten versterken, en niet moeten strijden om wat belangrijker is.
3) Theorie later aanbieden? Echt eerst alleen praktijk? Of juist andersom, zoals we deden bij de minor Creative Educational Design. Meelopen met een vaksectie, niet de stress van de lessen geven, maar de kans om naar een visie op onderwijs te gaan. Door te observeren en na na te denken over wat de theorie zegt, en hoe dat dan wel of niet in de praktijk klopt en of en hoe je dat dan kunnen zien. Gesprekken voeren over welk systeem ideaal zou zijn? En dan prachtige dingen zeggen als ‘Ik heb geleerd dat het onderwijs prachtig is. Dat we samen onderwijs mooi kunnen maken voor een mooie toekomst. Samen werken aan de mensen voor morgen. Niet de mensen die nódig zijn, maar de mensen die wij wíllen. Ik leerde geloven in eigen ideeën. Ik leerde te dromen. En ik leerde dat verandering begint bij dat dromen.’

En om dat laatste, daarom ben ik lerarenopleider!